De werf - Juan Carlos Onetti

Achille van den Branden

Juan Carlos Onetti voert in dit boek een Argentijnse scheepsbouwer op, Larsen, die wordt aangesteld als nieuwe leider van een oude, verlaten scheepswerf. De werf heeft onder de vorige eigenaar Jeremias Petrus haar gloriedagen gekend. Aan Larsen de ondankbare taak om het havenbedrijf nieuw leven in te blazen. Hij krijgt de hulp van het twijfelachtige duo Gálvez, de Hoofdboekhouder, en Kunz, Chef Technische Dienst.

Uitvalsbasis van de scheepsbouwer wordt het fictieve stadje Santa María, waar Onetti vaker over heeft verteld en zo'n beetje de Uruguayaanse tegenhanger is van het Macondo van Márquez. Larsen neem er zijn intrek in Belgrano - "restaurant, hotel, winkel van sinkel".

De moed zakt de protagonist, die sowieso al niet van daadkrachtigheid overloopt, algauw in de schoenen wanneer hij voor het eerst de werf inspecteert: moddersteegjes, plaatijzeren barakken, krakende planken, lege kantoorruimtes, doorgesneden draden, vrachtwagens met weggezakte wielen, restanten van wat eens een kade moet zijn geweest. (Tijdens het lezen moest ik dikwijls aan dat mooie fotoboek van Rensbergen denken.)

Eens aan de slag wordt Larsen heen en weer geslingerd tussen aanvallen van lethargie en momenten waarop hij maling heeft aan de zinloosheid van de onderneming. Stimuli van buitenaf zijn er niet: hij krijgt zijn salaris niet uitbetaald, althans niet regelmatig, en ook andere garanties ontbreken. Er zit weinig anders op dan zich te verzoenen met zijn schijnbaan.

"Hij was alleen, definitief, zonder dramatiek; hij liep met grote stappen, langzaam, willoos, zonder haast, zonder keuze, zelfs zonder verlangen naar een keuze, door een gebied waarvan de landkaart met het uur slonk. Hij werd in beslag genomen – niet hij: zijn botten, zijn vezels, zijn schaduw – door de zorg tijdig op de onbekende, maar vaststaande plek en tijd te zijn; hij had – van niemand – de toezegging dat de afspraak zou worden gehouden."

Ook in de liefde associeert Larsen hartstocht met sleur. De toenadering die hij zoekt tot Jeremias Petrus’ enige dochter Angélica Inés blijft in halfslachtige pogingen steken.

"Het versieren van een vrouw was al jaren niets anders voor hem dan een onontbeerlijke rite, een karwei dat tactvol en doeltreffend geklaard diende te worden en soms nog plezierig of bijna plezierig was ook."

Even is er een lichtpuntje, wanneer een brief uit de buitenwereld de werf bereikt. Het ding wordt onthaald als het onweerlegbaar bewijs voor de haast "theologische discussie" of de werf überhaupt bestaat en geen hersenschim is. Maar het ding kan niet voorkomen dat de roestwerende verf van Larsens zelfbedrog verder afbladdert.

Ik bleef verdacht ongevoelig bij deze roman, die vaak weggezet wordt als een symbolisch epos over Uruguay zelf. Het bewijs: ik werd afgeleid door onnozele details. 'Kunz' klonk me steeds opnieuw in de oren als een flauwe echo van 'Kurtz' uit Heart of Darkness. Ik ergerde me aan de nieuwe spelling van 'zo-even'. Enzovoort.

Misschien heb ik al te veel van dit soort boeken gelezen. Ik heb er vooral betere gelezen. De werf hangt een beetje tussen realisme en allegorie in, waardoor het in beide genres niet haar potentieel waarmaakt.

De plot blijft warrig en vaag. Er is wat gedoe met valse aandelen, maar dat kon mijn aandacht niet vasthouden. Kijk, dat is nu het lastige van recenseren. Als ik het boek met meer plezier had gelezen, zou ik in plaats van 'vaag' het positieve 'onbestemd' gebruikt hebben. Maar wat me dan doet kantelen, kan ik niet zo vlug aanwijzen.

Psychologische ontleding ligt Onetti alleszins beter dan het construeren van een goed verhaal. Ik was dan ook niet blind voor prachtige alinea's als deze:

"Larsen begreep terstond dat er iets onbestemds te gebeuren stond; dat voor hem alleen de vrouw met de laarzen gold, maar dat alles via de andere moest lopen, met behulp van haar medeplichtigheid en tandenknarsende instemming. Die andere, het dienstmeisje, dat een pas afstand bewaarde – haar stevige, korte benen iets uit elkaar, haar handen voor haar buik gekruist, een donker hoekje om haar hoofd, zonder enige emotie op haar gezicht behalve dat bevroren, bewust inhoudloze lachje –, kon Larsens verveling niet verbreken; zij hoorde tot een overbekend type dat zonder meer classificeerbaar was en zich altijd weer zonder noemenswaardige verschillen herhaalde, als een machineproduct of een dier; eenvoudig of gecompliceerd, hond of kat, dat was een tweede. Hij bestudeerde de eerste vrouw die nog altijd lachte en met haar rijzweep tegen de blikken barrand tikt; zij was groot en blond, zag er soms uit als dertig, dan weer als veertig."

Ik doe er nog een cadeau. Een paragraaf die de tragedie van De werf magistraal samenvat.

"Als Larsen die middag ook acht had geslagen op zijn honger, als hij er niet de voorkeur aan had gegeven tussen symbolen te vasten, in een epiloogsfeer die hij onbewust – met het intense gevoel van liefde, herkenning en rust waarmee men de lucht van zijn geboortegrond inademt – liefhad en voedde, dan had hij zichzelf misschien nog kunnen redden of tenminste zijn ondergang kunnen voortzetten zonder erin te berusten, zonder er een openlijk, lachwekkend schouwspel van te maken."